STUKJE INSTRUCTIE

 

De opbouw van een mentraining.

Als we ons paard trainen is het handig om de training te verdelen in drie delen:

1. de warming up


2. de oefenfase

3. de cooling down                                                           




Iedere training beginnen we in stap. Ons paard moet in deze eerste fase gemotiveerd worden om voor ons te werken. Daarbij is het erg belangrijk dat er ontspanning is en dat het paard bereid is om ons contact om te zetten in een fijne aanleuning, waarbij de druk op beide leidsels gelijk is. Ook als het paard erg fris is en veel looplust heeft moeten we toch proberen om eerst in de stap tot ontspanning te komen voordat we aandraven.

Stapt het paard rustig en regelmatig en accepteert het de hand van de menner, dan is het tijd om aan te draven. Aan de eerste drafreprise hoeven nog niet al te veel eisen te worden gesteld. Wel moet er controle zijn over de houding en over het tempo. Het paard moet recht zijn op de rechte lijn en gebogen in de wending. Tijdens deze fase rijden we grote ruime wendingen en nodigen we het paard continue uit om de hand van de menner te volgen in voorwaarts/neerwaartse richting. Het paard wordt gestimuleerd om de rug los te laten, zodat hij lekker door zijn hele lijf gaat bewegen en de achterhand actief gaat gebruiken. Als een paard zich fijn en ontspannen laat bewerken is het tijd om in stap over te gaan en het paard even de hals te laten strekken.

Tijdens de oefenfase gaan we verder met de africhting van ons paard. Afhankelijk van de leeftijd en de graad van africhting stellen we het paard verder in de hand De aandacht komt te liggen op de activering van de achterhand en het werken naar meer geslotenheid en verzameling. We gaan meer schakelen in het tempo,zowel voorwaarts als terug en ook de wendingen worden kleiner. Er moet veel aandacht worden besteed aan de correcte uitvoering van de overgangen. Tijdens de oefenfase wordt het paard meer aan het werk gezet dan tijdens de warming up. Het is nu ook tijd om eens een stukje te galopperen. Als paarden moeite hebben met de galop is het verstandig om dit aan het begin van de oefenfase te oefenen,omdat het paard dan nog fris is. Wordt een paard heet en sterk van de galop, galoppeer dan tegen het eind van de oefenfase. Het is goed om in een systeem te trainen, maar pas voldoende variatie toe. Wees creatief met het bedenken van oefeningen en houd het afwisselend voor je paard.

Na ca. 20 min. hard werken merk je vanzelf aan je paard dat het genoeg is geweest. Het kan zo zijn dat je paard niet meer zo flitsend reageert op je hulpen,of wat hangerig wordt op je hand. Tijd om rustig naar het einde toe te werken. Laat je paard lekker de hals strekken in voorwaarts/neerwaartse richting met behoud van aanspanning en impuls. Net als in de warming up draaf je ruime, grote wendingen in de lage lijn. Daarna ga je over in stap en stap je het paard ca. 10 min. op adem in een actief tempo.



Tenslotte: Laat de duur van de training niet afhangen van de klok, maar pas deze aan aan de reacties van uw paard.